Fysica Wetenschappen




De orionhypothese

Een nieuw inzicht in de kernfysica en deeltjes


I N H O U D

Voorwoord
1 Inleiding
2 De orionhypothese
3.Elektronen en Quantumfysica
4 Ionkernen
5 Kerntransmutaties en kernenergie
6 Exoten
7 Neutralons
8 Unificatie van krachten

Appendices
Sponsors, donoren of subsidieverstrekkers gezocht



Voorwoord

Als een fysicus probeert bepaalde natuurverschijnselen te beschrijven,
terwijl men van schijnbaar goede maar achteraf toch onhandige uitgangspunten
of postulaten uitgaat, dan moeten de geleerden zich in steeds ingewikkeldere
bochten wringen om geloofwaardige resultaten te kunnen krijgen.
De auteur van de orionhypothese heeft de sterke indruk, dat dit bij de kernfysica
gebeurd is en nog steeds actueel is. De kernfysica is overbodig onmetelijk
ingewikkeld geworden. Of die indruk juist is, mogen de geleerden zelf bepalen.

De orionhypothese bevat helaas veel veronderstellingen. Dat is minder aantrekkelijk
maar de auteur geeft steeds de behoefte aan bepaalde experimenten uit te (laten)
voeren om de hypothese te kunnen transformeren in fysische theorie. De auteur hoopt,
dat geschikte instituten bereid zijn die experimenten uit te voeren,
opdat de hypotheses weerlegd of hopelijk bevestigd kunnen worden.

De hypothese verwacht gemotiveerd miljarden deeltjes in de kernen.
Dat is wel zeer onwennig maar er is geen principieel bezwaar tegen!
Vanzelfsprekend moet deze verwachting wel aangetoond worden.

Onder de fysici is Einstein bijna een afgod, doordat zijn relativiteitstheorie
als absolute waarheid door de geleerden en studenten geaccepteerd is.
De auteur beweert beslist niet dat de relativiteitstheorie fout zou zijn.
Hij heeft zelfs diep respect voor de door Einstein ontwikkelde denkbeelden
waarmee de bedenker van een nieuwe hypothese is ‘grootgebracht’.

De denkbeelden van Einstein zijn totaal niet verenigbaar met de opvattingen
van de auteur die hij de laatste jaren ontwikkeld heeft.
Ter vergelijking heeft de auteur de opvattingen van Einstein grijs weergegeven.

De stelling van Noether maakt de overgang van de behoudswetten van massa en
energie naar behoud van massa-energie in de rel.th. ongeloofwaardig door
onterecht / ongewenst verlies van twee fundamentele symmetrieën.

De vijf behoudswetten van massa, lading, energie, impuls en impulsmoment
met de bijbehorende symmetrieën zijn ijzersterk.

Een belangrijk voordeel van de orionhypothese is, dat er een heldere
samenhang bestaat tussen de kernfysische verschijnselen en
de gebeurtenissen met de ‘elementaire deeltjes’.

Een ander belangrijk voordeel van de orionhypothese is,
dat de concepten een zeer ingrijpende vereenvouding van
de fysica met zich meebrengen.


1 Inleiding

1.1 Zagen
1.2 Chemische reacties
1.3 Kernreacties
1.4 Korte samenvatting
1.5 &)


1.1 Zagen
Als je een balk doorzaagt tot twee balkjes,
dan is de massa van de balk iets meer dan de massa's van de twee balkjes samen.
Dit 'massadefect' is gemakkelijk te verklaren:
let op het zaagsel en de massabalans kan gemakkelijk hersteld worden.

1.2 Chemische reacties
Voor de tijd van Lavoisier was er meestal een verschil in de totale massa
voor en na een chemische reactie. Toen Lavoisier in de gaten had,
dat er bepaalde gassen ontsnapten aan zijn aandacht en aan de massametingen,
kon hij het 'massadefect' verklaren. Toen hij luchtdichte vaten gebruikte,
kon hij de wet van Lavoisier formuleren, historisch de eerste behoudswet,
namelijk de wet van behoud van massa.

1.3 Kernreacties
Bij kernreacties is er ook altijd een massadefect.
Gangbaar is de verklaring van Einstein. Hij gebruikt E = mc2.
Zou echter tijdens zo’n reactie ook iets ontsnappen?
Die gedachte was de aanleiding tot het ontwerpen van de orionhypothese.
De auteur beweert niet dat de relativiteitstheorie fout is.
Hij heeft diep respect voor Einstein’s denkbeelden.

De orionhypothese is niets anders dan een totaal nieuwe beschrijving van kernreacties.
Kortweg: het massaverlies wordt verklaard door extreem kleine, wegspringende deeltjes.

1.4 Korte samenvatting van deze website
  • Alle materie bestaat uit slechts één soort deeltjes,
    de orions die elektrisch positief, neutraal en negatief kunnen zijn.

  • Antimaterie bestaat niet. Dat is slechts een illusie.
  • Het aantal orions beloopt in de atoomkern in de miljarden.
    Daarin heersen voornamelijk elektrische krachten tengevolge van
    de ladingen en in veel mindere mate magnetische krachten door de spins.
    Sterke en zwakke kernkrachten zijn vervangen door elektrische en magnetische krachten.

  • De bekende 'elementaire' deeltjes zijn mislukte kernen.

  • Tijdens kernreacties treedt altijd een massadefect op.
    Dat wordt niet omgezet in energie.
    Het massaverlies is een gevolg van wegspattende 'orions'.
  • De energie-opbrengst bij zo’n kernreactie is altijd
    het gevolg van afname van elektrische en magnetische energie.

De auteur is er nieuwsgierig naar
  • of zijn hypothese samenhangend is, of zijn hypothese zichzelf nergens tegenspreekt,
  • of hij misschien ergens een fout maakt,
  • of hij alle experimentele verschijnselen kan verklaren die met deeltjes te maken hebben.

    1.5 &)
    Een &) bij een tekst geeft aan, dat een experimentele bevestiging gewenst of zelfs nodig is.

    2 De orionhypothese

    2.1 Eigenschappen van orions
    2.2 Associatie van orions
    2.3 Coulomb postulaat
    2.4 Vijf behoudspostulaten
    2.5 De stelling van Noether
    2.6 Drie behoudswetten voor orions
    2.7 Het dissociatiebeginsel
    2.8 Nog een behoudswet
    2.9 Energie-omzetting
    2.10 Neutrino’s
    2.11 Elektronen
    2.12 Het natuurlijke getal No
    2.13 Positronen of positieve elektronen
    2.14 Geen antimaterie
    2.15 Neutrale elektronen
    2.16 βo-straling
    2.17 Aantallen orions

    2.1 Postulaten: orions hebben de volgende eigenschappen:

    het gehele heelal bestaat uit slechts één soort materiedeeltjes, de zogenaamde orions.
    Ze zijn de bouwstenen van alle leptonen, mesonen, hadronen en atoomkernen.
    De orions zijn de enige echte elementaire deeltjes.
    Het zijn de kleinste en lichtste deeltjes in het heelal.
    Ze zijn dermate klein, dat de huidige (2017) meetinstrumenten
    ze nauwelijks of niet kunnen detecteren. &)

    Orions hebben alle dezelfde massa. Het symbool voor die massa is .
    Omdat het de kleinste massa in het heelal is, is dit de elementair massa.
    De massa van elk ander deeltje is een geheel veelvoud van .
    Elke massa is gequantiseerd.
    De elementairmassa is exact No × zo klein als de massa van een elektron.
    Dus m(elektron) = No × . (Zie later 2.11 vanwege het natuurlijk getal No )

    Ze zijn op te vatten als veerkrachtige bolletjes, een bijna harde bollenmodel.

    Alle orions hebben een even grote spin, aangeduid met $.
    De grootte van $ is de helft van de constante van Dirac = /2.
    $ is de elementairspin of orionspin.
    (Bosonen hebben een even spin; fermionen hebben oneven spin.)

    Hun spin hebben zij te danken aan de draaiing om hun eigen as.
    Dit in tegenstelling tot de gangbare opvatting in de quantumfysica.

    De porions, dat zijn de positieve orions hebben lading +, de elementairlading.
    De lading van de neutrale orions, zorions, is exact nul.
    De negatief geladen norions hebben elk lading – die gelijk is aan de lading van een elektron.

    Eén van de grootste raadsels in de nauur is, wat het mechanisme
    is, hoe een positieve en negatieve lading elkaar aantrekken.
    De verklaring van virtuele fotonen is verre van toereikend.

    De massa, lading en spin zijn de elementaire grootheden van deeltjes.
    De , $ en zijn drie natuurconstanten die tevens drie elementaire eenheden zijn.

    2.2 Associatie van orions
    Orions kunnen zich elektrisch en/of magnetisch binden tot grotere deeltjes.
    Er kunnen door het binden van orions stabiele bouwwerken ontstaan.
    Door een overschot aan positieve of negatieve lading kunnen onstabiele,
    samengestelde deeltjes ontstaan.
    Omdat orions fermionen zijn, moet er rekening gehouden
    worden met het uitsluitingsprincipe van Pauli.

    2.3 Coulomb postulaat: hoewel het niet zeker is, dat de wet van Coulomb
    tot de allerkleinste afstanden correct is, gaat de auteur er wel van uit,
    dat de wet van Coulomb geldig blijft tot op het niveau van de orions.
    Dat is dus een gepostuleerd model.

    2.4 Vijf behoudspostulaten
    Wanneer twee of meer orions zich binden (of van elkaar los gaan), gelden steeds
    de wet van behoud van massa,
    de wet van behoud van energie,
    de wet van behoud van lading,
    de wet van behoud van impuls,
    de wet van behoud van impulsmoment.

    Binnen de orionhypothese geldt E = mc2 onder geen enkele voorwaarde.
    Het 'massadefect' wordt later besproken.


    2.5 De stelling van Noether
    Met de stelling van Noether (1915) is elke behoudwet gekoppeld aan een bepaalde symmetrie.
    De wet van behoud van energie is gekoppeld aan het feit
    dat alle natuurkundige wetten niet veranderen in de tijd.
    (translatiesymmetrie langs de tijd-as.)

    De wet van behoud van massa is gekoppeld aan het feit
    dat het nulpunt van gravitatie-energie vrij gekozen mag worden.
    (translatiesymmetrie langs de gravitatie-energie-as.)
    Deze behoudswet maakt massa additief.

    Als deze twee behoudswetten in de relativiteitstheorie vervangen worden door
    één behoudswet van massa-energie, dan verdwijnen die twee bijbehorende symmetrieën.
    Dat is pijnlijk.


    De wet van behoud van lading is gekoppeld aan het feit
    dat het nulpunt van elektrische-energie [of potentiaal] vrij gekozen mag worden.
    (translatiesymmetrie langs de elektrische energie-as.)

    De wet van behoud van impuls is gekoppeld aan het feit
    dat meetresultaten 'hier' en 'daar' (onder dezelfde omstandigheden)
    hetzelfde resultaat moeten opleveren. (translatiesymmetrie in de ruimte.)

    De wet van behoud van impulsmoment is gekoppeld aan het feit
    dat draaiing in de ruimte geen invloed heeft op de natuurwetten. (Rotatiesymmetrie.)

    2.6 Drie gepostuleerde behoudswetten voor orions:
    de wet van behoud van positieve orions,
    de wet van behoud van neutrale orions en
    de wet van behoud van negatieve orions.
    De bijbehorende symmetrie bij elk is, dat de beginaantallen willekeurig mogen zijn.

    2.7 Postulaat: het dissociatiebeginsel
    Als een deeltje A uiteenvalt in de kleinere deeltjes B en C,
    dan moeten van tevoren alle fragmenten van B en C in A hebben gezeten.

    Hoewel dit principe in de chemie altijd al werd toegepast,
    geldt dit principe nu ook voor deze nieuwe kern- en de nog te bespreken exotenfysica.
    De additiviteit en het dissociatiebeginsel gelden in het bijzonder voor een atoomkern.

    2.8 Nog een behoudswet
    Door atomen neutrale ionen te noemen, kan in de chemie
    de wet van behoud van aantal ionen geformuleerd worden:

    tijdens elke chemische reactie blijft het aantal
    ionen van elk deelnemend element constant.


    Een atoomkern heet nu een ionkern.

    2.9 Energie-omzetting
    Tijdens de binding van orions neemt de elektrische energie af,
    terwijl de rotatie-energie en de interne vibratie-energie van
    de samengestelde deeltjes toenemen en er ontstaan fotonen.
    Door onderlinge botsingen van de samengestelde deeltjes kunnen
    de rotatie- en vibratie-energie omgezet worden in thermische energie.

    2.10 Neutrino’s
    Een neutrino bestaat uit een klein aantal positieve orions en evenveel negatieve.
    Er kunnen nog enige neutrale, magnetisch gebonden orions toegevoegd zijn.
    Er kunnen zo meerdere soorten neutrino’s bestaan.

    2.11 Elektronen
    Een elektron bestaat uit één negatief orion meer dan positieve.
    Een elektron is een stabiel deeltje met massa = No × , lading – en spin $.

    2.12 Het natuurlijke getal No
    De auteur heeft gezocht naar de grootste gemeenschappelijke deler
    van de massa’s van de neutrino’s, elektronen en alle bekende stabiele ionkernen.
    Omdat de massa van neutrino’s nog niet exact bekend is, kan slechts worden vermeld,
    dat het natuurlijke getal No (de deler van de massa van een elektron) één van de waarden kan hebben:
    1.735.5581.736.9951.74.9757 1.752.4601.789.123
    1.7903441.791.3141.792.5351.792.9692.183.348
    Wanneer de massa van het elektron-neutrino nauwkeurig bepaald is,
    kan de juiste waarde van No gekozen worden.
    Voorlopig is No =(2,0 ± 0,2) × 109.


    2.13 Positronen of positieve elektronen?
    Een positief elektron bestaat uit één negatieve orion minder dan positieve.
    Dat is een stabiel deeltje met massa = No × , lading + en spin $.

    Een positief elektron is gewone materie!

    In de orionhypothese bestaat geen antimaterie.
    Antimaterie was een ernstige interpretatiefout van Dirac, gezien vanuit de orionhypothese,
    want massa is nooit negatief. Positrons bestaan dan niet.
    (De negatieve massa van Dirac was eigenlijk een negatieve energie in de ‘Diraczee’.
    Maar vanwege E = mc² was de opmerking een vereenvoudigde formulering.)



    2.14 Een negpo
    Als een positief en negatief elektron elkaar naderen en gaan raken,
    dan annihileren zij niet maar vormen zij een binding.
    Er ontstaan een elektrische dipool ( + – ), negpo genaamd,
    die ook een magnetische quadrupool (↑ ↓) is. &)

    Antimaterie is volgens de orionhypothese volstrekt overbodig.

    Om het idee van antimaterie te vermijden spreekt de auteur
    niet meer over een positron maar over een positief elektron.

    Het positronium zou een 'atoom' zijn, dat bestaat uit een positron en elektron
    die om elkaar heen bewegen. Spoedig zou het annihileren.

    Nu wordt het als een positief en negatief elektron beschouwd, die samen
    een negpo vormen. Ook andere soorten deeltjes kunnen een negpo vormen.

    Het is moeilijk aan te te tonen dat iets (hier antimaterie) niet bestaat.
    Als het bestaan van een elektronnegpo kan worden aangetoond, is dat genoeg.
    De mogelijkheid bestaat, dat een aantal zorions zich eraan kan hechten.


    2.15 Neutrale elektronen
    Postulaat: neutrale elektronen bestaan.
    Elk bevat evenveel positieve orions als negatieve.
    Vanwege de spin zit er ook nog een oneven aantal neutrale orions in, een zorion. (z=zero)
    Neutrale elektronen kunnen niet om een ionkern heen bewegen door gemis van lading.

    De auteur voert de volgende namen in: pelektron, nelektron en zelektron.

    Tot op heden kon het bestaan van neutrale deeltjes, zoals neutronen en nu
    zelektronen, uitsluitend via indirecte methoden aannemelijk worden gemaakt.
    De fysici zouden een uitvinder zeer dankbaar zijn voor een detector
    die het bestaan van neutrale deeltjes regelrecht en eenduidig zou kunnen aantonen. &)

    2.16 βo-straling
    Postulaat: neutrale elektronen worden soms uit een ionkern geschoten
    als een nog onbekende soort radioactiviteit, βo-straling naast β+- en β-- straling. &)
    Wie zal de neutrale elektronen ontdekken? &)

    2.17 Aantallen orions
    Vermoedelijk is het aantal positieve orions of porions in het heelal
    even groot als het aantal norions, want dan is het heelal elektrisch neutraal.
    Vermoedelijk is het heelal zelfs apolair.
    Over het aantal neutrale zorions in het heelal is niets te zeggen.


    3. Elektronen en quantumfysica

    3.1 Elektronen om een ionkern
    3.2 Drie presentaties en misschien nog één
    3.3 Aard van quantumfysica

    3.1 Elektronen om een ionkern

    Elektronen bewegen in de orionhypothese met vele km/s in de ruimte
    van een ion waarvan de straal pakweg een nanometer is.
    Daardoor lijkt het als een elektron overal tegelijk in het ion aanwezig is.
    Bij fotografie heet dat bewegingsonscherpte.

    De quantumfysici beweren, dat het elektron 'uitgesmeerd' is in de ruimte rondom de ionkern.

    De negatieve elektronen bewegen rondom de kern. Daarvoor is centripetaalkracht nodig.
    Die wordt geleverd door de elektrische aantrekkingskracht.

    Elektronen stoten elkaar onderling voortdurend met hun negatieve ladingen af.
    Ook trillingen van de kern en bewegingen buiten het ion dragen bij
    tot een ernstige verstoring van een ideale baan. Dat alles kan tot een enorme chaos leiden.
    Het is bijna als een wonder op te vatten, dat de quantumfysici
    in deze schijnbare chaos orde hebben weten te scheppen met de
    elektronenbanen (K, L, M, … ) en hun orbitalen (s, p, d, f ,... ).
    Met behulp van vele duizenden metingen aan ionen heeft men ontdekt
    welke 'banen' en orbitalen meer waarschijnlijk zijn dan andere.
    De quantumfysica beschrijft op een wiskundige manier de waarschijnlijkheidsverdeling
    over al die mogelijke toestanden in een ion.
    Het ion kan vaak van de ene energietoestand overgaan in de andere en
    ook die overgangen hebben een bepaalde (on-)waarschijnlijkheid.

    Sommige overgangen zijn onmogelijk vanwege een dreigende schending van
    bijvoorbeeld de wet van behoud van impulsmoment.
    Zo'n denkbare overgang heet een verboden overgang.

    3.2 Drie presentaties en misschien nog één
    De quantumfysica kent drie presentaties, die onderling volledig gelijkwaardig zijn:
    – de <bra| en |ket> notatie van Paul Dirac, ook wel de diracnotatie,
    – de complexe golffuncties van Erwin Schrödinger en
    – de matrix-notatie die ontwikkeld is door Werner Heisenberg, Pascual Jordan en Max Born.
    Drie presentaties is een overbodige 'luxe' en eigenlijk irritant voor de student.
    Het zou mooi zijn als één presentatie de voorkeur gaat krijgen.

    In essentie draait het steeds om waarschijnlijkheidsverdelingen en eigenwaarden,
    terwijl de golffuncties van Schrödinger en de matrices eigenlijk maar wiskundige hulpmiddelen zijn.
    Daarom zou het mooi zijn een formalisme te bedenken, dat waarschijnlijkheden en
    eigenwaarden direct koppelt, een uitdaging voor de didactiek van de quantumfysica.

    3.3 Aard van quantumfysica
    Quantumfysica beschrijft veel en goed en is daardoor zeer functioneel.
    Maar zij verklaart niets!
    Quantumfysica is niets anders dan een deel van de waarschijnlijkheidsleer
    toegepast op fysische objecten. Zij is dus toegepaste wiskunde.


    4 Ionkernen

    4.1 Andere uitgangspunten
    4.2 Elke ionkern bevat miljarden orions.
    4.3 De onbepaaldheidrelatie van Heisenberg
    4.4 De vorm van een ionkern
    4.5 (On-)stabiliteit
    4.6 De elektrische lading van kernen
    4.7 Isomeren
    4.8 Isotopen
    4.9 Equitopen, een nieuw fenomeen
    4.10 Isotonen, iso-neutronenoverschot en spiegelkernen
    4.11 De codering van de samenstelling van een ionkern


    4.1 Andere uitgangspunten

    In het nieuwe kernmodel ontbreken protonen, neutronen alsmede sterke en zwakke kernkrachten.
    Quarks, kleurkrachten en gluons spelen al helemaal geen rol meer.
    String- en braanhypothesen zijn volstrekt overbodig.


    Protonen en neutronen ontstaan slechts bij specifiek radioactief verval als losse deeltjes.
    Een proton is nog steeds een 1H1-kern.


    4.2 Elke ionkern is een bouwwerk van miljarden orions.
    Als de massa van een ionkern dankzij de massaspectroscoop bekend is,
    kunnen het aantal orions berekend worden door de massa van de ionkern
    te delen door . Vergeet de elektronen niet.

    4.3 De onbepaaldheidrelatie van Heisenberg
    Volgens de onbepaaldheidrelatie van Heisenberg en door het golfkarakter
    van deeltjes zouden orions individueel niet in een kern passen
    waardoor geen enkele ionkern zou kunnen bestaan.
    Twee orions kunnen magnetisch een paar vormen ( ↑↓ ).
    Een orion is een fermion, terwijl zo'n paar een boson is.
    De verzameling bosonparen zullen samen een bose-einstein-condensaat
    vormen waardoor een stabiele kern kan ontstaan.
    Om deze reden is het te verwachten, dat het aantal orions in een kern
    altijd even is zodat er geen ongepaard orion overblijft.

    De massa, lading en spin van de ionkern bepalen de verdeling
    van positieve, negatieve en neutrale orions in die kern.

    4.4 De vorm van een ionkern
    De vele orions zullen zich over het algemeen zo schikken,
    dat de positieve en negatieve orions elkaar zoveel mogelijk afwisselen.
    Dat lijkt op een zoutkristal.
    Elke kern is een elektrisch positief geladen femtokristal.

    In de gangbare opvattingen bestaat er voor de kern een druppelmodel en
    bewegen de protonen en neutronen in een kernorbitaal.

    In de orionhypothese wordt het druppelmodel vervangen door een kristalmodel.
    De enige beweging die de orions onderling maken, is een driedimensionale trilling.
    De kern als geheel kan roteren.


    4.5 (On-)stabiliteit

    4.5.1 Enige stabiliteitscriteria
    • De zorions (z = zero) zijn slechts met hun spin aan andere orions gebonden.
      Dat is altijd een relatief zwakke schakel.
    • Hoe meer zorions ten opzichte van de geladen orions,
      hoe onstabieler het samengestelde deeltje zoals de kern.
    • Hoe meer lege plekken, gaten, een ionkern bevat hoe onstabieler zij is.
    • Het aantal orions moet even zijn. (Zie 4.3)
    • Verder moet nog nader onderzocht worden, of andere argumenten voor de
      (on-)stabiliteit van een kern of samengesteld deeltje een rol spelen.
    • Hoe stabieler een kern is, hoe kleiner de kans dat die vervalt,
      des te groter de halveringstijd.
    Het is niet mogelijk een formule voor stabiliteit te vormen, doordat
    de ruimtelijke structuur en het aantal gaten niet te kwantificeren zijn.

    4.5.2 Het stabiliteitseiland
    Theoretici hebben omstreeks 1960 met berekeningen aan het kernschillenmodel
    beredeneerd, dat er op de isotopenkaart een soort eiland zou moeten bestaan bij
    kernladingen 125 à 130 € waarop stabiele kernen zouden bestaan.
    Deze kernen zijn nooit in de natuur ontdekt en synthese is nooit gelukt vanwege
    de noodzaak van een zeer groot neutronenoverschot.

    De stabiliteitscriteria binnen de orionhypothese moeten kwantitatief
    nog worden verfijnd om dit eiland te kunnen ontdekken.


    4.6 De elektrische lading van kernen

    In de gangbare fysica is de lading van de kern, Z, gelijk aan zijn aantal protonen.
    Gewone kristallen zijn meestal (vrijwel) elektrisch neutraal,
    terwijl de femtokristallen positief geladen zijn.
    De ionkern is immers positief geladen.
    In deze nieuwe kernfysica is de lading van een kern, Z,
    de algebraïsche som van alle ladingen in de kern, alle ladingen uitgedrukt in .


    4.7 Isomeren
    Isomeren zijn kernen met dezelfde samenstelling maar met verschillende energie.
    Dat komt, doordat ze ruimtelijk verschillende structuren bezitten.
    Hoe compacter, hoe lager de elektrische en magnetische energie.
    De laagste energie-inhoud wordt bereikt met de dichtste bolstapeling.


    4.8 Isotopen
    Als een zorion of porion-norion-paar aan een kern wordt toegevoegd of
    ervan wordt verwijderd, dan ontstaat een isotoop van hetzelfde element.


    4.9 Equitopen, een nieuw fenomeen
    Als in een kern een porion en norion samen vervangen worden door twee zorions,
    dan blijven de massa en lading behouden.
    In dat geval is er per definitie sprake van een andere equitoop.
    Equitopen zijn een nieuw verschijnsel in de kernfysica. Ze zijn bijzondere isotopen.
    Wordt vervolgd in 5.2.3


    4.10 Isotones, neutronenoverschot en spiegelkernen
    Isotonen, kernen met hetzelfde aantal neutronen,
    en kernen met hetzelfde neutronenoverschot,
    verliezen hun betekenis want een kern bevat geen neutronen noch protonen.
    Hetzelfde geldt voor spiegelkernen. (NZ)



    4.11 De codering van de samenstelling van een ionkern
    Als voorbeeld nemen we (volgens de gangbare notatie) de isotoop 9F19.
    Een nieuwe codering is ongewenst, omdat er steeds sprake is van miljarden orions.
    Daarom verdient de gangbare notatie voorkeur.

    Het vaststellen van de juiste samenstelling van een kern is geen sinecure.
    De massa, lading en spin geven de belangrijkste aanwijzingen maar geven geen eenduidigheid.
    Denk bijvoorbeeld aan gaten, equitopen en verschillende opbouw.




    5 Kerntransmutaties en kernenergie

    5.1 Algemeen
    5.1.1 Soorten kerntransmutaties
    5.1.2 Massadefect
    5.1.3 Energieverandering bij kernreacties
    5.1.4 Een nieuwe poging om kernenergie vrij te maken
    5.1.5 Aantikken
    5.2 Radioactief verval of radioactiviteit
    5.2.1 Gammastraling
    5.2.2 β-verval
    5.2.3 Equitopen, zeer verwante ionkernen
    5.2.4 Elektronenvangst
    5.2.5 Andere radioactieve processen
    5.2.6 Het 'spontaan' splijten
    5.2.7 Relatief weinig stabiele kernen
    5.3 Fusie
    5.3.1 Fusie van deuterium

    5.1 Algemeen


    5.1.1 Soorten kerntransmutaties

    Kernen kunnen veranderen door verschillende soorten radioactiviteit,
    elektronvangst, splijting, fusie en beschietingen.

    5.1.2 Massadefect
    Deze kerntransmutaties kunnen uitsluitend optreden als er een massadefect is.
    Dat massadefect ontstaat, doordat circa 1% van de totale massa wordt
    meegenomen door onopgemerkt wegvliegende orions, al of niet onderling gebonden.
    Vooral de zorions en negpo’s zijn moeilijk te detecteren.

    Het is van groot belang een detectiemethode te vinden voor neutrale deeltjes.&)
    Gangbaar is gebruik te maken van indirecte methoden.

    De oorzaak van een kernreactie is het kunnen afnemen van elektrische energie.

    Na een kernreactie kan de totale massa nooit zijn toegenomen,
    omdat het ongelofelijk toevallig zou zijn als tijdens de reactie
    miljoenen orions uit de omgeving zouden worden opgepikt.
    We rekenen op en met de wet van behoud van massa.

    5.1.3 Energieverandering bij kernreacties
    De energieopbrengst bij kernreacties is niet het gevolg van E = mc2
    waarbij massadefecten zouden zijn omgezet in energie.
    Massa kan namelijk niet worden omgezet in energie.
    Hier zien we een schril contrast met de orionhypothese!


    De energieopbrengst bij kernreacties is volgens de orionhypothese
    het gevolg van een daling van de elektrische energie van de
    deelnemende kerndeeltjes. Het gaat echt om MeV’s.
    Dat betekent, dat de afstand van de kerndeeltjes gemiddeld verkleind is.
    In mindere mate speelt ook de daling van de magnetische energie een rol maar draagt zeker bij.

    5.1.4 Een nieuwe poging om kernenergie vrij te maken
    Mogelijk trillen de orions in de kern.
    Met geschikte elektromagnetische straling en/of magnetische velden
    rondom wisselstromen is het wellicht mogelijk om de orions sterker
    te laten trillen, misschien zelfs tot resonantie.
    Het is de bedoeling de kernen op deze manier stuk te trillen waardoor kernsplijting ontstaat.
    Als de vrijkomende kernenergie meer is dan de toegevoerde energie,
    is mogelijk een rendabele 'energiebron' gevonden.
    In principe maakt het niet veel uit om welke soort kernen het gaat.
    Het goedkoopst is het dan om een veel voorkomende isotoop als proefstof te kiezen.
    Misschien kunnen zo bovendien radioactieve afvalstoffen worden opgeruimd
    door de kernen stuk te trillen. &)

    5.1.5 Geen nucleaire verandering zonder oorzaak
    Als een betrekkelijk onstabiele kern wordt aangetikt door een K- of L-elektron,
    kan dat de oorzaak zijn van het uiteenvallen van de kern.
    Daarbij wordt een deel van de energie van het K-elektron overdragen, genoeg om de kern uiteen te laten vallen.
    Zo kan er bijvoorbeeld een α-deeltje of proton uit de kern ontsnappen.

    Het quantumfysische tunneleffect is daarbij dan niet nodig.
    (Geen 'wiskundige ontsnapping'.)
    Een ander geval van tunneling: de scanning tunneling microscoop
    Wikipedia: De scanning tunneling microscoop of rastertunnelmicroscoop werkt ... met een naald
    waarvan de punt slechts één enkel atoom bevat.
    Deze sonde ligt zo dicht bij het object, dat de golffuncties van de naald en het object overlappen.
    Zodra dit gebeurt, vindt tunneling van elektronen plaats: elektronen kunnen oversteken, tunnelen.
    En in de naald ontstaat een elektrische stroom. Door de exponentiële afname van de golffuncties,
    kan de tunnelstroom ontstaan. De stroomsterkte is afhankelijk van de exacte afstand tussen het object en
    de naald. Door de naald omhoog of omlaag te bewegen kan de tunnelstroom worden aangepast.


    In de orion-hypothese is de uitleg als volgt.
    Tussen de naald en het object in de scanning tunneling microscoop is een elektrisch potentiaalverschil
    beschikbaar. Het veroorzaakt een elektrische kracht op elk elektron. Gemiddeld is deze kracht niet sterk
    genoeg om de elektronen de gewenste sprong te laten maken. Alleen de snelste elektronen die de juiste
    richting bewegen kunnen de afstand overbruggen om een stroom te veroorzaken.
    Het lijkt op verdamping waarbij eerst de snelste moleculen ontsnappen.
    Het aantikken kan ook door een externe oorzaak gebeuren, zoals kosmische straling.
    Het lijkt niet mogelijk door experimenten het aantikken door K- of L-elektronen te beïnvloeden.
    Experimenteel is al vastgesteld, dat afscherming van kosmische straling
    tot grotere stabiliteit van radioactieve kernen leidt.
    De verandering van de kern gebeurt nooit 'zomaar' zonder oorzaak!!

    Als dit aantikken daadwerkelijk gebeurt, dan moet een röntgenlijnenspectrum
    waarneembaar te maken zijn, omdat de K-schil weer opgevuld moet worden.
    Dit moet nog experimenteel onderzocht worden. &)
    Aantikken met een bundel neutronen behoort ook tot de mogelijkheden.
    Met deze techniek kan de halveringstijd verkort worden!


    5.2 Radioactief verval of radioactiviteit

    5.2.1 Gammastraling

    Als een moederkern van een toestand van hogere energie naar een lagere springt,
    komt daar een welgedefinieerde hoeveelheid energie vrij en wel als
    monochromatische γ-straling. De moeder- en dochterkernen zijn dan isomeren;
    ze hebben dezelfde samenstelling en massa.
    De kerndeeltjes zijn alleen energetisch gunstiger geordend.
    Er zijn een aantal gaten opgevuld.

    5.2.2 β-verval
    β-stralers zenden positieve, neutrale(!) of negatieve elektronen uit.
    Die zaten van tevoren als een orionklontje in de kern.
    De dracht van de elektronen in een bellenvat is niet voor alle gelijk.
    Dat wijst erop, dat de kinetische energie van de deeltjes verschillend is.
    Kennelijk ontstaan elektronen niet steeds onder deelfde energetische
    omstandigheden tengevolge van de locatie in de kern.
    Bij de β-emissie wordt aan alle klassieke behoudwetten voldaan.

    In de standaardtheorie bestaat 'leptonbehoud'.
    In orionhypothese is dat niet meer nodig, onder andere,
    omdat antimaterie niet bestaat.


    5.2.3 Equitopen, zeer verwante ionkernen
    Dit concept komt in de gangbare fysica niet voor.

    Postulaat: elke soort radioactieve kern kan maar op één manier vervallen.
    Sommige radioactieve isotopen lijken echter op meerdere manieren uit elkaar vallen.
    Bijvoorbeeld bismuth-212 kan zowel α- als β-straler zijn.
    Hoe zit dat? De gangbare fysica zier deze keus als een louter toevalsproces.

    Postulaat: de orionhypothese gaat er van uit, dat er (minstens twee) verschillend
    samengestelde bismuth-212-kernen bestaan, equitopen.

    Veel β-stralers (zowel positief als negatief) vertonen ook K-vangst.
    Ook dat wijst op meerdere 'zeer verwante kernen'.

    Het aantal equitopen per ionkern kan groot zijn.
    Of meerdere kernsoorten werkelijk gerealiseerd worden, is bij lange na niet evident.
    Bij stabiele kernen kan dat niet opvallen.
    In de meeste gevallen zullen alle mogelijke varianten nooit aan het licht (kunnen) komen. &)

    5.2.3.2 Een mogelijk experiment
    Een professor die de orionhypothese analyseerde, vroeg hoe equitopen te scheiden zijn.
    Het antwoord moest zijn, dat het zeker moeilijk zal zijn om zo’n opgave te volbrengen.
    Maar heeft het nut? Nee, met de huidige kennis niet.

    Hoe is experimenteel de hypothese te bevestigen, dat een onstabiele equitoop maar op
    één manier kan vervallen? Dat kan als volgt.
    Kies een isotoop die op twee manieren kan vervallen, in (bijvoorbeeld) 30% van de
    gevallen wordt alfastraling waargenomen en 70% betastraling. Het lijkt voor de hand
    liggend, dat er dan 30% van de ene equitoop aanwezig is en 70% van de andere.
    Beschiet een hoeveelheid van die isotoop met (bijvoorbeeld) een bundel thermische
    neutronen. Elk van de twee equitopen zal op zijn manier reageren. Er zullen twee
    soorten reacties kunnen ontstaan met twee soorten eindproducten. Als die ook in
    de verhouding 30% / 70% voorkomen, is de hypothese bevestigd.
    (Er kunnen complicaties optreden maar het gaat te ver om die hier te bespreken.).
    Na dit experiment kunnen ook andere projectielen dan neutronen gebruikt worden.
    Als de genoemde verhouding behouden blijft, wordt de waarschijnlijkheid van het
    bestaan van equitopen alleen maar waarschijnlijker.

    5.2.4 Elektronenvangst
    Gangbaar is, dat elektronenvangst als een radioactief proces wordt beschouwd.
    De auteur ziet het als fusie.
    Bij elektronenvangst nestelt zich een K-elektron (soms een L-elektron) in de kern.
    Dat gebeurt bijvoorbeeld bij Be-7 en bij Mg-22.
    Er ontstaat dan een (bijna) isobare kern.
    Strict genomen is de kern een elektron zwaarder geworden.

    Traditioneel wordt gezegd, dat een proton met elektron een neutron met neutrino wordt.
    De oude theorie zegt ook, dat kernen zomaar zonder aanwijsbare reden vervallen.
    In de orionfysica zijn beide onjuist. Leptonbehoud is overbodig geworden.


    5.2.5 Andere radioactieve processen
    Een kern kan om zijn overtollige energie kwijt te raken, ook een neutron,
    proton (1H1), deuteron(1H2) of heliumkern(2He4) wegschieten.
    Ze ontstaan pas pal voor het wegschieten uit de beschikbare orions, altijd door aantikken.
    Al eerder is melding gemaakt van mogelijke βo-straling; neutrale elektronen. &)
    Ook kan een negpo worden uitgestoten.
    Dat is een elektrische dipool die bestaat uit een positief en negatief elektron. &)

    5.2.6 Het 'spontaan' splijten van sommige zeer zware kernen
    Kernen die dat kunnen zijn bijvoorbeeld 92u238, 94Pu236 en 98CF252.
    Het splijten kan opgevat worden als radioactief verval.
    Het is te verwachten, dat ook dit splijten geïnitieerd wordt door aantikken
    door K- of L-elektronen dan wel door kosmische straling. &)

    5.2.7 Relatief weinig stabiele kernen
    Ionkernen en andere deeltjes zijn naar alle waarschijnlijkheid
    ontstaan in een extreem hete toestand.
    Verreweg de meeste samenraapsels van orions zijn volkomen onstabiel,
    omdat ze in een zeer chaotische toestand tot stand gekomen zijn.
    Eigenlijk is het onvoorstelbaar toevallig als er een stabiele structuur ontstaat!
    Als je een stapel stenen lukraak op een hoop gooit, hoe groot is dan de kans,
    dat je een stabiel huis krijgt?


    5.3 Fusie

    5.3.1 Fusie van deuterium
    (als voorbeeld)
    Neem aan, dat twee deuteronen (zware waterstofkernen) fuseren tot een heliumkern.
    Dus: 1H2 + 1H2 → 2He4.

    (Tussenstappen bij een fusie zijn volgens de wet van Hess voor de redenering niet relevant.)

    De massa’s van de geladen deuteronen en alfadeeltjes zijn
    nauwkeurig bekend dankzij de massaspectrometer.
    De massabalans van deze fusie levert
    2m(deuteron) → m(heliumkern) + 46,63 × m(elektron).
    Het massadefect is dan de massa van 46,63 × No orions.
    Hier schieten dus zoveel orions met veel kinetische energie weg,
    mogelijk deels aan elkaar gekoppeld.
    Door de extreem heftige fusiereactie werden deze deeltjes vermoedelijk niet
    gedetecteerd of over het hoofd gezien of als secundair verschijnsel beschouwd.
    Per slot gaat het om de energieopbrengst en verwachtte men zeker geen orions.
    Het is een poging waard de orion(-klonter)s tijdens fusie te detecteren. &)


    6 Exoten

    6.0 Mislukte, onstabiele, naakte kernen
    6.1 De quarks van het standaardmodel
    6.2 Beschietingen en botsingen
    6.4 Baryonen
    6.5 Samenstelling van een muon
    6.6 Verval van een muon
    6.7 Mitrailleureffect
    6.8 Tijddilatatie?
    6.9 GPS
    6.10 Vreemdheid en isospin


    6.0 Mislukte, onstabiele, naakte kernen

    In de gangbare fysica zijn er zeer veel 'elementaire' deeltjes bekend.
    Ze worden verdeeld in hadronen, mesonen en leptonen.
    De auteur noemt ze exoten.
    Zie 6.3.1. Ze bestaan alle uit orions.

    Exoten kunnen opgevat worden als mislukte, onstabiele, naakte kernen al of niet geladen.
    Ze worden dan ook als kernen gecodeerd:
    lading – symbool van het deeltje ; de massa in ionmassa eenheden (of atomaire masseenheden).
    De bekendste exoten zijn het neutron en het muon.

    6.1 De quarks van het standaardmodel
    De massa’s van de quarks uit het standaardmodel zijn alle berekend en
    gebaseerd op theorie die orionfysica niet ondersteunt.
    Daarom worden (de berekende waarden van) deze deeltjes genegeerd.
    Ze kunnen nooit vrij voorkomen en dus nooit direct gemeten.
    Quarks zijn in orionfysica geen bestaande objecten.

    Ook met het orionmodel is het mogelijk dat men binnen een waterstofkern drie subkernen waarneemt.
    Het is voer voor mathematische theoreten om na te gaan, of dat energetisch wat gunstiger zou zijn dan één klont.


    6.2 Beschietingen en botsingen
    De botsingen van kernen met energierijke deeltjes kunnen zowel natuurlijk ontstaan
    ten gevolge van kosmische straling en /of radioactiviteit als door kunstmatige
    opwekking (in deeltjesversnellers). Inelastische botsingen tussen deeltjes veroorzaken altijd herschikkingen van de orions. Hoe energierijker de kogels bij het beschieten zijn (versnelde ionen, protonen, elektronen),
    hoe meer de doelkern gefragmenteerd wordt.
    Met kosmische straling kan het er heftig aan toe gaan.


    6.3 Voorkomen van exotische deeltjes
    Verreweg de meeste exotische deeltjes komen niet vrij in de natuur voor
    of misschien extreem kortstondig.
    Een bekende uitzondering is het muon, dat in de kosmische straling voorkomt en
    die lang genoeg 'leeft' om door de atmosfeer van de aarde heen te dringen.

    De exotische deeltjes ontstaan voornamelijk tijdens botsingen.
    Daarbij ontstaan allerlei brokstukken, (groepen) orions
    die zich na de botsing tot heel wat verschillende combinaties kunnen verenigen.

    Het verval van de exoten wordt in appendix 1 vermeld.


    6.4 Baryonen
    Alle baryonen vervallen uiteindelijk tot protonen en elektronen
    die elk weer uit orions bestaan. Vanwege het dissociatiebeginsel moet we er dus van uit gaan
    dat alle baryonen zijn samengesteld uit orions.

    6.5 Samenstelling van een muon
    Alle tauonen en mesonen vervallen uiteindelijk tot positieve, neutrale en negatieve elektronen.
    Vanwege het dissociatiebeginsel moet we er van uit gaan,
    dat alle mesonen en leptonen zijn samengesteld uit elektronen en dus uit orions.
    De massa van een muon is vrijwel 207 × de massa van een elektron.
    We gaan er dan van uit, dat een muon uit circa 207 × No orions bestaat.
    (Een elektron bestaat immers uit No orions.)

    Als er in een muon één norion meer is dan een porion, is de lading -.
    Het oneven aantal orions zorgt ervoor, dat de spin van het muon één $ is,
    de elementairspin of orionspin.

    6.6 Verval van een muon
    Experimenteel wordt er maar één elektron per verval van een muon gedetecteerd.

    Volgens de gangbare opvatting: 1 muon → 1 elektron + neutrino + antineutrino.


    6.7 Mitrailleureffect
    Daarom veronderstelt de auteur, dat het muon als een mitrailleur
    steeds één elektron afschiet totdat hij geheel vervallen is.
    Dat is het mitrailleureffect.
    Het muon barst dus niet als een granaat uit elkaar.
    Dat ontsnapt de 'aandacht' van de elektronendetector,
    omdat die niet snel genoeg is om al deze elektronen te onderscheiden.

    Hij neemt er maar één waar. Immers, de dode tijd van een elektron-
    detector is 0,1 à 0,3 milliseconde.
    Op dezelfde manier kan de samenstelling en verval van de overige mesonen worden vastgelegd.
    Een porion en norion kunnen ook gepaard wegschieten. Dat ontgaat de elektron-detector. &)
    Als taak blijft nog openstaan bij elk van de exoten de juiste verhouding
    te vinden van de positieve, neutrale en negatieve orions.&)

    6.8 Tijddilatatie?
    Het mitrailleureffect geeft de illusie van tijddilatatie, omdat het mitrailleureffect tijd kost.
    De vermeende tijddilatatie wordt ook besproken bij de deeltjesversneller.

    6.9 GPS (Global Positioning System)
    De klokken in een communicatiesatelliet blijken iets langzamer te lopen dan op aarde.
    Dat behoeft geen relativistische tijddilatatie te zijn.
    Hoewel de klokken zo mogelijk identiek zijn, zijn de omstandigheden iets anders.
    De gasdruk en de gravitatie zijn verschillend.
    Dat kan het waargenomen tijdverschil verklaren door aan te nemen,
    dat de afstand van de moleculen van de klok een klein beetje anders is.
    Het doet denken aan een slinger: hoe langer de slinger, hoe langer de slingertijd.
    De klok in de satelliet is gewichtloos.

    6.10 Vreemdheid en isospin
    Isospin of isobarische spin is een quantumgetal
    dat gerelateerd is aan de sterke wisselwerking en de quarks met kleurkracht.
    Dit getal speelt geen rol meer.

    In de standaardtheorie bestaat ook quantumgetal vreemdheid.
    Met het gebruik van alleen orions is er geen behoefte meer aan deze grootheid,
    omdat de definitie van vreemdheid met antimaterie te maken heeft.




    7 Neutralons

    7.1 Neutrale exoten
    7.2 Neutralonzee
    7.3 De lichtsnelheid
    7.3.1 Een vaste snelheid
    7.3.2 Een somvector van snelheden
    7.4 Nog drie hypotheses
    7.5 Toenemende massa
    7.5.1 Uitleg
    7.5.2 In een deeltjesversneller
    7.6 Eerste en tweede brownbeweging
    7.6.1 Definities
    7.6.2 Het casimireffect
    7.6.3 Eigen poging om het bestaan van neutralonzee geloofwaardig te maken
    7.6.4 Nog een poging
    7.7 De verschuiving van het perihelium
    7.8 Anomalieën van de Newtonse zwaartekracht
    7.9 Zwaartekrachtgolven?
    7.10 Licht in de neutralonzee
    7.11 Schilelektronen in de neutralonzee



    7.1 Neutrale exoten

    Buiten de kern kunnen porions, norions en zorions allerlei combinaties vormen.
    Dat leidt tot verschillende soorten deeltjes, exoten.
    Als het aantal porions gelijk is aan het aantal norions, ontstaan er neutrale exoten.
    Dat zijn de neutralons. Het bekendste neutralon is het neutron.

    7.2 Neutralonzee
    Orionhypothese veronderstelt, dat het hele heelal vol zit met deze
    neutralons als het meest perfecte ideale gas: de neutralonzee.
    De meeste soorten van deze deeltjes zijn zo klein,
    dat ze nauwelijks of niet gedetecteerd kunnen worden.
    Daardoor is het (nog) niet mogelijk het aantal per volume te meten.
    Ook de concentratie van de verschillende soorten is daardoor voorlopig nog niet bekend.
    Vroeg of laat zal een positief deeltje in het vacuüm
    een negatieve ontmoeten en eraan binden.
    Daarom is er in de ruimte een overschot aan neutrale deeltjes.

    De neutralonzee doen denken aan de meer dan een eeuw oude aethertheorie.
    Einstein postuleerde voorzichtig, dat de aether (toen) niet waarneembaar was.

    7.3 De lichtsnelheid

    7.3.1 Een vaste snelheid
    De snelheid van de elektromagnetische straling in vacuüm wordt
    door de neutralonzee als medium begrensd tot c = 299.792.458 m/s.

    In orionfysica kunnen golven van de neutralonzee sneller zijn dan c.
    Dat kunnen drukgolven zijn en bijvoorbeeld spingolven.

    Een aantal paranormale verschijnselen kunnen met de golvende neutralonzee worden verklaard.
    Met behulp van die verschijnselen kan die superluminale snelheid worden bepaald. &)

    Een aanbevelenswaardig boek hiervoor: "Kosmische visie"
    Ondertitel "Wetenschap en het Akasha-veld"
    door: Ervin Laszlo
    Uitgeverij: Ankh-Hermes bv Deventer ISBN 90 202 8359 6
    (trefwoord: verenigde veldentheorie)

    7.3.2 Een somvector van snelheden
    A) Wanneer een zwemmer een rivier oversteekt en u zijn snelheid ten
         opzichte van de kust wilt weten, moet u de vectorsom van
         de snelheid van de zwemmer ten opzichte van het water en
         de snelheid van het water ten opzichte van de kust bepalen.

    B) De aarde beweegt rond de zon met 29,8 km/s en het zonnestelsel
         beweegt rond het centrale zwarte gat van onze Melkweg met (235 ± 15) km/s.
         Licht beweegt met 300 Mm/s door het vacuüm oftewel de neutralonzee.

    C) Michelson en Morley konden met voldoende nauwkeurigheid meten dat de snelheid van
         het licht in vacuüm ten opzichte van de aarde voor alle golflengten altijd
         299.792.458 m/s is, ongeacht de snelheid van de lichtbron
         en ongeacht de snelheid van de waarnemer. Kortom, het is steeds 300 Mm/s.

    Hoe moeten A) B) en C) gecombineerd worden?

    In het begin van de 20ste eeuw is elke verklaring mislukt.
    Dit was de reden dat de aether theorie werd afgewezen.

    Einstein had de Lorentz-transformatie nodig om het te begrijpen.

    De auteur van de orion hypothese gaat er van uit, dat
    de snelheid van het licht als een vector zich niet met elke andere snelheid laat combineren.

    Beide verklaringen zijn nogal eigenaardig en gek!
    De samenvatting van dit alles is het volgende in de orionhypothese.
    Ongeacht de snelheden van een lichtbron en waarnemer, beide ten opzichte van de neutralonzee:
    de snelheid van elektromagnetische straling in de neutralonzee is altijd 299.792.458 m/s
    voor alle golflengtes.


    7.4 Nog drie hypotheses
    De volgende drie samenhangende, nog niet vermelde hypotheses zag de lezer misschien al aankomen.
    De orions zijn vergelijkbaar met de higgsdeeltjes.
    De neutralonzee kan worden opgevat als het higgsveld en
    de neutralonzee vormt wellicht de gezochte donkere materie in het heelal.

    7.5 Toenemende massa

    7.5.1 Uitleg
    Als iemand eet, neemt zijn massa toe, doordat er meer materie aan zijn lijf wordt toegevoegd.
    Dat is in orionfysica het principe dat massatoename van versnelde deeltjes verklaart.

    Deze massaformule van Einstein
    voldoet experimenteel heel goed en moet daarom gerespecteerd worden.
    Binnen de orion hypothese is deze formule (voorlopig) puur empirisch.

    7.5.2 In een deeltjesversneller
    Experimenteel is vastgesteld, dat de massa van een ion lijkt toe te nemen
    als het fors wordt versneld. Een mogelijkheid om dat te verklaren is, dat
    het ion tijdens het versnellen neutralons absorbeert en/of adsorbeert,
    een soort opvegen.

    Misschien is het mogelijk om een ruwe schatting van het aantal neutralons
    per volume te maken door te veronderstellen dat hun aanwezigheid in het
    vacu¨m de enige oorzaak is van de waargenomen (schijnbare?) massatoename
    van de versnelde ionen in een versneller.

    De massatoename van een versnellend deeltje heeft invloed op de samenstelling
    ervan. Er worden immers deeltjes ingevangen. Logisch, dat dit invloed heeft
    op het tempo van verval. De tijddilatie kan hiermee worden verklaard mits
    de stabiliteit en dus de halveringstijd toeneemt. Als een deeltje versnelt, vangt het orions en neemt de massa toe. Als een deeltje vertraagt, verliest het orions en neemt de massa af. Hysterese is mogelijk. Als de snelheid gelijk blijft, verliest het deeltje evenveel orions als dat het vangt. De massa blijft dan gelijk; een dynamisch evenwicht. &)

    7.6 Eerste en tweede brownbeweging

    7.6.1 Definities

    Einstein heeft samen met de Russin Marian Smoluchowski de theorie van de brownbeweging ontwikkeld
    en bewezen daarmee het bestaan van moleculen

    De brownbeweging tengevolge van de aanwezigheid in een gas wordt gedefinieerd als eerste-orde-brownbeweging.
    De neutralons moeten net als een gas ook brownbeweging veroorzaken, de tweede-orde-brownbeweging.
    Als onder gewone omstandigheden brownbeweging wordt waargenomen, is dat de resultante van beide.

    Zou de eerste of tweede brownbeweging de overhand hebben? Een onderzoek waard. &)
    Als de tweede orde brownbeweging wordt waargenomen, is het bestaan van neutralons bewezen.
    Als direct bewijs van het bestaan van de tweede-orde-brownbeweging
    kan het casimireffect dienen.

    7.6.2 Het casimireffect
    Twee evenwijdig geplaatste metalen platen in een vacuüm trekken elkaar aan
    ondanks dat ze ongeladen zijn. (De quantummechanische vanderwaalskracht.)
    Deze zwakke casimirkracht is goed gemeten als de afstand van de platen
    0,1 à 9 μm is. Daarom moeten de platen extreem vlak zijn.
    De aantrekking wordt gangbaar verklaard met quantumfluctuaties
    die gewone deeltjes en antdeeltjes laten ontstaan en weer laten verdwijnen.

    Tussen platen worden de meeste deeltjes tengevolge van hun debrogliegolflengte
    weggeïnterfereerd. De deeltjesdichtheid tussen de platen is zodoende kleiner dan erbuiten.
    Dat geeft een experimenteel aantrekking door een gemeten drukverschil dat omgekeerd evenredig is met
    de vierde macht van de afstand van de platen.
    De orionhypothese verklaart dit als volgt.
    Een vis zwemt in het water. Het water stroomt niet door de vis heen dankzij de huid.
    Materie 'zwemt' in de neutralonzee. De neutralonzee dringt echter dwars door alle
    materie heen, dus ook door de twee metalen platen.
    Tussen de platen worden de meeste deeltjes tengevolge van hun
    debrogliegolflengte weggeïnterfereerd.
    Quantumfluctuaties zijn voor de verklaring van het casimireffect overbodig,
    want er zijn steeds deeltjes.


    7.6.3 Eigen poging om het bestaan van neutralonzee geloofwaardig te maken &)
    Een zeer klein stuifmeelkorreltje dat zweeft in de lucht, vertoont brownbeweging
    onder een microscoop. Hoe kleiner de massa van het korreltje,
    hoe heftiger de brownbeweging.

    Als de ruimte vacuüm gezogen wordt, zou de brownbeweging tengevolge van de luchtmoleculen
    moeten stoppen. De bedoeling is echter, dat de brownbeweging tengevolge van de aether of
    neutralonzee overblijft. Als dat zo blijkt te zijn, dan is aannemelijk gemaakt, dat de
    neutralons bestaan en daarmee de orions.

    Een complicatie is, dat een stuimeelkorreltje zonder lucht niet meer blijft zweven
    maar zal vallen. Daarom is het handig een elektrisch geladen stuimeelkorreltje
    tussen de platen van een condensator te laten zweven, waarbij de elektrische kracht
    de zwaartekracht compenseert.
    Een eventuele fluctuatie van de spanning tussen de condensatorplaten zou alleen een
    verticaal dansen veroorzaken. Het is niettemin gewenst die spanning te stabliseren.

    7.6.4 Nog een poging &)
    Meet zo nauwkeurig mogelijk de massa van een vliegwiel voordat het gedraaid heeft.
    Laat het een jaar ronddraaien. In die tijd absorberen de ionkernen een hoeveelheid neutralons.
    Tracht de massatoename te bepalen.
    Als die er is, is het bestaan van de neutralonzee, de oude 'aether', aangetoond.


    7.7 De verschuiving van het perihelium van Mercurius
    Doordat de ellipsbaan van Mercurius iets roteert,
    is de baan van deze planeet niet gesloten maar rozetvormig.
    De oorzaak wordt gezocht in de wrijving die Mercurius in zijn baan ondervindt,
    niet alleen van de neutralons maar ook van de geringe hoeveelheid materie
    in de interplanetaire ruimte (interstellair stof).
    Er is, voor zover bekend, nooit rekening gehouden
    met de zonnewind en het magneetveld van Mercurius.
    De remmende werking is de oorzaak van de rozetvorm.
    De zonnestraling compenseert de warmtedissipatie.


    7.8 Anomalieën van de Newtonse zwaartekracht
    De banen van de planeten dijen sneller uit dan te begrijpen is met verlies van zonsmassa.
    De Pioneer-sondes die aan de grenzen van het zonnestelsel vliegen,
    vertragen sterker dan te verklaren is met Newton.
    Beide kunnen worden verklaard met de wrijving die de neutralonzee veroorzaakt.
    De geringe toename van de kinetische energie van een ruimtevoertuig als die langs een hemellichaam vliegt,
    kan zo niet worden uitgelegd. Wellicht spelen elektrische ladingen of dipolen een rol.


    7.9 Zwaartekrachtgolven?
    Op 11 februari 2016 kwam de melding in het nieuws, dat voor het eerst een zwaartekrachtsgolf
    is gedetecteerd door het team van fysicus Jo van den Brand.
    De oorzaak zou een botsing tussen twee neutronensterren geweest zijn.
    Wat is de aard van die golven???

    Volgens de auteur van deze tekst is er sprake van een soms heftige tweede-orde-Brownse beweging of
    een dichtheidsgolf in de neutralonzee. Die bewegingen komen regelmatig voor.
    Soms zijn ze forser dan modaal.
    Overal in het heelal zouden tweede-orde-Brownse bewegingen waarneembaar kunnen zijn.


    7.10 Licht in de neutralonzee

    In 7.4 is gepostuleerd, dat de neutralonzee de donkere massa van de spiraalnevels zou kunnen zijn.
    Dat impliceert, dat de neutralons gevoelig zijn voor gravitatie.
    Daaruit volgt, dat de concentratie van neutralons toeneemt als de afstand tot een ster afneemt.
    Dat betekent, dat de neutralonzee dicht bij een ster optisch dichter is dan verder van een ster.
    Daaruit volgt, dat licht naar een ster toe gebroken wordt.
    Een ster werkt dan als lens. Dat nemen astronomen waar.
    De lenswerking is dus een gevolg van lichtbreking.

    De astronomen gingen er altijd van uit, dat het licht wordt aangetrokken door een ster dankzij de gravitatie.
    Dat werd uitgelegd met de kromming van ruimtetijd.
    Het licht hoeft blijkbaar niet gevoelig te zijn voor gravitatie.


    Ook de interstellaire materie is rondom een ster verdicht en draagt tevens bij tot de lichtbreking.

    Een ‘neutronenster’ en een zwart gat zijn extreem sterke verdichtingen van de neutralonzee
    om een ster heen. Een betere benaming zou orionster of orionverdichting kunnen zijn.


    7.11 Schilelektronen en de neutralonzee
    De elektronen die om een ionkern bewegen, de zo genoemde schilelektronen,
    zouden op twee manieren bewegingsenergie moeten verliezen.
    • Elk geladen deeltje, dat versneld beweegt zendt volgens Maxwell straling uit.
      De schilelekronen bewegen ook versneld tengevolge van de centripetaalkracht.
    • De schilelektronen bewegen door de alom aanwezige neutralonzee heen.
    Beide effcten zouden veroorzaken, dat deze elektronen al spoedig op de kern zouden belanden.
    Toch blijken de elektronenbanen en orbitalen stabiel te blijven.
    De conclusie moet zijn, dat de energie die verloren zou gaan
    weer wordt teruggegeven door de neutralons.



    8 Unificatie van krachten

    8.1 Kernkrachten
    8.2 Vanderwaalskracht
    8.3 Gravitatie
    8.4 Unificatie van krachten

    8.1 Kernkrachten

    In de nieuwe kernfysica bestaan als enige krachten de elektrische en magnetische.

    8.2 Vanderwaalskracht
    Een (neutraal) ion of molecuul bestaat uit ruim een miljard geladen deeltjes.
    Dat is op te vatten niet als een elektrische en magnetische dipool, quadrupool, … ,
    maar als een megapool van zeer hoge orde.
    De elektrische en magnetische wisselwerking tussen megapolen is op de schaal
    van een laboratorium de vanderwaalskracht. (Van der Waals, Debije, London)

    8.3 Gravitatie

    8.3.1 Duwende gravitatie
    De gravitatietheorie van George Louis deSage (1748) en Fatio de Duiller (1690),
    bekend als duwende gravitatie, komt met de orionhypothese een stuk dichterbij!

    8.3.2 Megapolen
    Volgens Andrej Sacharov (Rus, 1968) vormen de resulterende kracht van elektrische
    ladingen, dipolen, quadrupolen, … en megapolen alsmede de magnetische dipolen,
    quadrupolen, … en megapolen op de schaal van een planeet of ster de gravitatie.
    Te lezen in Lynne McTaggert’s Het Veld (Ankh-Hermes) blz 47.

    De gravitatieconstante is niet 100% stabiel. Dat komt door de verschillende
    samenstellingen van bijvoorbeeld sterren en planeten.



    8.4 Unificatie van krachten
    In het heelal bestaan volgens de orionhypothese slechts elektrische en magnetische krachten.
    Die zijn verenigd tot elektromagnetische krachten.


    Appendices

    A1 Opvattingen over
    A1.1 ruimte
    A1.2 tijd
    A2 Wet van Coulomb
    A3 Lijst met stabiele kernen
    A4 Kampioenen
    A5 Het verval van de exoten


    A1 Opvattingen over ruimte en tijd

    A1.1 De driedimensionale ruimte

    • Ruimte is slechts een mathematisch begrip.
    • Ruimte kan niet uitzetten. Dat is exclusief weggelegd voor alle fasen van materie.
    • Ruimte kan niet buigen. Dat is exclusief weggelegd voor vaste stof.
    • Ruimte zelf is volkomen inert en krachtloos.
    • Ruimte zelf heeft noch massa noch energie maar is er wel mee gevuld.
    • Ruimte bevat altijd (inhomogene) stralings- en krachtvelden.
    • Ruimte bevat materie met een inhomogeen dichtheidsveld.
    • Een vacuüm is een (deel-)ruimte waarin de gasdruk minder dan 1 bar is.
    • Ruimte zit tjokvol met neutralons.
    • Het quantumvacuüm is niets anders dan de neutralonzee.

    A1.2 Tijd

    • Tijd verstrijkt altijd en overal volkomen gelijkmatig.
      Dit kan slechts worden geformuleerd als een postulaat.
    • Enige gevolgen:
      • tijddilatatie is een illusie. (Zie muonen en deeltjesversnellers);
      • tijd kan nooit achteruit (Feynman diagrammen in relatie met antimaterie);
      • er is geen verband tussen ruimte en tijd,behalve bij
        de definitie van snelheid en versnelling
    • Tijdomkeer is op te vatten als een zinloze 'mathematische grap'
      maar geen reëel fysisch gebeuren. Denk aan
      aflopende chemische reacties, warmtedissipatie bij wrijving, radioacief verval,
      absorptie van allerlei straling, evolutie en biologische processen.
      Alleen al deze uitzonderingen (die meer regel lijken!) maken tijdomkeer
      tot een algemene illusie, zelfs al zou tijdomkeer in een klein deelgebied
      van de fysica een rol spelen. (Waar ligt de grens?)
      (Bovendien is spiegelsymmetrie van tijd niet geassocieerd met een behoudswet.)
      Orionfysica is niet symmetrisch in de tijd.



    A2 Wet van Coulomb

      Algemeen
      Twee tegengesteld geladen deeltjes trekken elkaar aan met Qq/(4πεod 2).
      Als de elektrische energie in het oneindige nul wordt gekozen,
      is de elektrische energie van de één ten opzichte van de ander –Qq/(4πεod).
      De auteur neemt aan, dat de Wet van Coulomb geldt tot afmetingen van orions.

      De straal van een elektron
      Bekijk de associatie van een positief en negatief elektron (positronium).

      De afname van de elektrische energie van een elektron is
      Qq/(4πεod2) – Qq/(4πεod1) = €2/(4πεo) × (1/d2 – 1/d1).
      Het invullen van getallen met SI-eenheden levert in orde van grootte
      9 × 109 × (1,6 × 10-19)2 × {1/d – 1/(10-9)} joule op.

      Het is bekend, dat er per deeltje een gamma-foton van 511 keV = 8,18 × 10-14 joule ontstaat.
      2,30 × 10-28 × {1/d – 1/(10-9)} = 8,18 × 10-14.
      Dan is d, de afstand van het positieve en negatieve elektron 2,8 femtometer geworden.
      Als ze worden opgevat als bolletjes die elkaar raken, dan is hun
      middellijn circa 1,4 fm en hun straal dus 0,7 fm.


      A3 Alle stabiele ionkernen

      Z element massa spinZ in m in atomaire
      massa eenheden
      Spin in $
      1H1,0081164 127Co58,9183833 748Cd105,8801272 065Tb158,8896891 3
      1H2,0135534 248Cd109,8766703 0
      28Ni57,9199827 048Cd110,8778463 166Dy159,8889912 0
      2He3,0149322 128Ni59,9154262 048Cd111,8764260 066Dy160,8907271 5
      2He4,0015061 028Ni60,9156958 348Cd113,8770267 066Dy161,8905921 0
      28Ni61,9129849 066Dy162,8925249 5
      3Li6,0134773 228Ni63,9126058 049In112,8771776 966Dy163,8929685 0

      4Be9,0099879 229Cu62,9136887 350Sn111,8773890 067Ho164,8935672 7
      29Cu64,9118807 350Sn113,8753500 0
      5B10,0101941 650Sn114,8759130 168Er166,8947448 7
      5B11,0065621 330Zn65,9095760 050Sn115,8743120 068Er167,8950668 0
      6C11,9967085 030Zn67,9083868 550Sn117,8741740 0
      6C13,0000635 130Zn69,9088619 050Sn118,8758790 169Tm168,8963613 1
      50Sn116,8755230 1
      7N13,9992339 231Ga68,9085676 350Sn119,8747657 070Yb169,8963612 0
      7N14,9962708 131Ga70,9076953 350Sn121,8760100 070Yb170,8979252 1
      70Yb171,8979809 0
      8O15,9905264 032Ge72,9059043 951Sb120,8758381 570Yb172,8998102 5
      8O16,9947434 532Ge73,9036232 051Sb122,8762364 770Yb173,9004615 0

      9F18,9934658 133As74,9034934 352Te121,8745177 0 71Lu174,9018226 7
      34Se75,9005619 052Te122,8757438 0
      10Ne19,9869542 034Se76,9012623 152Te123,8742917 172Hf175,9019108 0
      10Ne20,9883612 334Se77,8986574 052Te124,8759045 172Hf176,9037229 7
      10Ne21,9858992 034Se79,8978696 052Te125,8747855 072Hf177,9042010 0
      52Te125,8747855 072Hf178,9063183 9
      11Na22,9837349 335Br78,8991368 372Hf179,9070522 0
      35Br80,8970903 353 I 126,8753983 5
      12Mg23,9784590 073Ta181,9081579 0
      12Mg24,9792540 536Kr81,8937347 054Xe127,8739080 0
      12Mg25,9760100 036Kr82,8943871 954Xe128,8751561 174W182,9096281 1
      36Kr83,8917581 054Xe129,8738847 074W183,9103363 0
      13Al26,9744075 554Xe130,8754591 3
      37Rb84,911789738 554Xe131,8745302 075Re184,9118115 5
      14Si27,9692469 0
      14Si228,9688149 138Sr83,8925790 055Cs132,8752800 776Os185,9121461 0
      14Si29,9660899 038Sr85,8884142 076Os186,9140584 1
      38Sr86,8880311 956Ba133,8737879 076Os187,9141461 0
      15P30,9655333 138Sr87,8847661 056Ba137,8745267 076Os188,9164554 3
      56Ba134,8749681 376Os189,9167549 0
      16S31,9632937 139Y88,8844554 156Ba135,8738554 076Os191,9197886 0
      16S32,9626815 3 56Ba136,8751069 3
      16S33,9590896 040Zr89,8827612 0 77Ir190,9183533 3
      16S35,9583035 040Zr91,8830976 057La138,8750842 777Ir192,9206857 3
      41Nb92,8838863 9
      17Cl34,9595268 3 58Ce139,8736211 078Pt193,9198911 0
      17Cl36,9565767 342Mo93,8820479 058Ce141,8774264 078Pt194,9220019 1
      42Mo94,8828017 5 78Pt195,9221623 0
      18Ar39,9525087 042Mo95,8816391 059Pr140,8752866 5
      42Mo96,8829811 5 79Au196,9232309 3
      19K40,9514027 3 60Nd141,8748085 0
      44Ru97,8811495 060Nd142,8768995 780Hg197,9228826 0
      20Ca41,9476464 044Ru98,8818018 560Nd143,8771725 080Hg198,9243935 1
      20Ca42,9477950 044Ru99,8800820 060Nd144,8796588 780Hg199,9244396 0
      20Ca43,9445102 044Ru100,8814446 560Nd145,8802021 080Hg200,9264159 3
      44Ru101,8802118 0 80Hg201,9267566 0
      23V50,9313422 744Ru103,8812955 062Sm143,8779870 080Hg203,9296075 0
      62Sm148,8831727 7
      24Cr51,9273416 045Rh102,905504 162Sm149,8832635 081Tl202,9279092 1
      24Cr52,9274835 346Pa101,8803743 062Sm151,8857204 081Tl204,9299925 1
      24Cr53,9257145 046Pa103,8788013 0
      46Pa104,8798503 563Eu152,8866698 582Pb203,9280600 0
      25Mn54,9243306 546Pa105,8782513 0 82Pb205,9294817 0
      46Pa107,8786573 064Gd153,8857565 082Pb206,9309133 1
      26Fe55,9206744 046Pa109,8799183 064Gd154,8875129 1182Pb207,9316685 0
      26Fe56,9211309 1 64Gd155,8870136 0
      26Fe57,9190125 047Ag106,8793137 164Gd156,8888510 3
      47Ag108,8789687 164Gd157,8889948 0




      A4 Kampioenen

      • Technetium en promethium zijn de enige elementen, lichter dan lood,
        die geen stabiele isotopen hebben.
      • Een mononuclidisch element heeft maar één isotoop.
        De auteur noemt zo’n element liever mono-isotopisch. Het betreft de elementen
        beryllium, fluor, natrium, aluminium, fosfor, scandium, mangaan, kobalt, arseen,
        yttrium, niobium, rhodium, jodium, cesium, praseodymium, terbium, holmium,
        thulium, goud, bismut, thorium en protactinium.
      • Tin heeft de meeste stabiele isotopen, namelijk 10.
      • De stabiele isotoop met de grootste massa is 82-Lood-208.
      • De grootste spin die waargenomen is bij stabiele kernen is 11$.
        Die spin komt voor bij de kern van 64-Gd-155.
      • Waterstof is het meest voorkomende element in het heelal. Tweede is helium.
      • Zuurstof is als oxide het meest voorkomende element in de aardkorst.



      A5 Het verval van de exoten

      De volgende indeling komt uit de standaardtheorie.
      Bedenk, dat elk deeltje in de standaardtheorie een antideeltje heeft.
      U weet al, dat er in de orionhypothese geen antimaterie is.

      Baryonen Hyperonen
      Omega’s vervallen tot xi’s en pionen.Xi’s vervallen tot lambda’s en pionen.
      Lambda’s vervallen tot protonen en pionen.Sigma’s vervallen tot protonen en pionen.
      Neutronen vervallen tot protonen en elektronen.


      Mesonen
      D’s en Eta’s vervallen tot pionen.Kaonen vervallen tot pionen.
      Pionen vervallen tot muonen.


      Leptonen
      Tauonen vervallen tot muonen.Muonen vervallen tot elektronen.
      Deze lijst is verre van compleet, want er zijn tweehonderd deeltjes benoemd,
      honderd gewone en honderd antideeltjes. Al die deeltjes bestaan uit orions.


      Sponsors, donoren of subsidieverstrekkers gezocht

      In de tekst over de orionhypothese heeft u een aantal voorstellen kunnen lezen
      over functionele experimenten om de hypothese te ondersteunen (of te weerleggen).
      Als u voldoende overtuigd bent van de mogelijkheden van de orionhypothese,
      dan bent u wellicht bereid en in staat om de nodige experimenten te financieren.
      In dat geval verzoekt de auteur, Franklin Roos, u om contact met hem op te nemen
      via zijn e-mailadres: efdeeroos@gmail.com .


      Terug naar begin Fysica Wetenschappen