Tijdens een autorit zijn kinderen prima te vermaken met wiskundige begrippen.
Ze kunnen de volgende dingen waarnemen.
Bocht naar links.
Bocht naar rechts.
Rechtuit.
S-bocht met buigpunt.
Wat moeilijker zijn
Bocht op zijn scherpst of sterkste kromming.
Meest noordelijke punt (of een andere windrichting).
Punt dichtst bij de zon of maan.
Vertikaal
In een heuvel- of berglandschap worden de mogelijkheden uitgebreider.
De weg is horizontaal, klimmend of dalend.
De steilheid neemt toe, af of blijft gelijk.
Grootste steilheid omhoog of omlaag; buigpunt.
Top of dal.
Pas en zadelpunt (in de rijrichting een top of dal).
Soms gebeuren horizontale en vertikale gebeurtenissen gelijktijdig.
Planeetbeweging
Rijd je de bocht om, probeer dan eens een paal of boom in de gaten te houden.
Hij beweegt ten opzichte van de achtergrond.
Je zult zien, als je (heel even) in de richting van die paal of boom rijdt,
de beweegrichting van de paal of boom omkeert ten opzichte van de achtergrond.
Op dezelfde manier wordt de heen- en weergaande beweging van de planeten
ten opzichte van de sterren-achtergrond verklaard.
De planeet bereikt een omkeerkunt, als de aarde er recht op af gaat of
als de aarde er recht vanaf beweegt.
Doordat de snelheid van een planeet niet even groot is als het tempo
van de aarde, verandert de richting van de lijn Aarde-Planeet steeds.